Haverstraat 1, B-2000 Antwerpen
T. +32 (0)3 205 10 20
F. +32 (0)3 205 10 22

Nieuws

Overheid, sociale zekerheid en financiële planning

Nieuwsbrief september 2005

Henriëtte Prast is de nieuwe hoogleraar persoonlijke financiële planning aan de universiteit van Tilburg, een leerstoel die wordt gefinancierd door de Rabobank. Zij gaf onlangs haar mening over persoonlijke geldzaken:

‘De meeste mensen hebben geen benul van financiële zaken, ook goed opgeleiden niet! ... De mens heet rationeel te plannen over zijn gehele leven, maar dat is niet in overeenstemming met het feitelijk waargenomen gedrag... Mensen willen en kunnen niet nadenken over hun financiële situatie later...’

Zijn mensen dan écht zo onwetend als mevrouw Prast zegt? Moet de overheid zich bijgevolg met hun planning moet gaan bemoeien en toezicht uitoefenen op de financiële adviseurs? Of is collega Prast alleen uit op een nieuw directoraat ‘Toezicht op Financiële Planning’ bij de Nederlandse Bank?

Sinds 1983 doceer ik diverse aspecten van persoonlijke financiële planning aan de Universiteit Antwerpen. Elk jaar vraag ik mijn studenten een plan uit te werken voor een specifiek geval – een ‘case study’, zoals dat in het jargon wordt genoemd. De opdracht: voor een concreet gezin een vermogensbalans en een begroting van inkomsten en uitgaven opmaken. De student moet de doelstellingen en bekommernissen van het betrokken gezin identificeren, en dan één punt helemaal uitwerken. Merkwaardig: de studenten onderzoeken meestal de pensioensituatie. Op die manier heb ik met de studenten doorheen de jaren al enkele duizenden gevallen bekeken en met hen redenen en motieven besproken achter elke balans.

Geeft mijn empirisch onderzoek over de laatste 22 jaar reden om te geloven dat mensen niet kunnen nadenken over hun financiële toestand later?

Laten we eens de resultaten van een groep van 80 gevallen bekijken, afkomstig van volwassen studenten van het voorbije jaar. De vraag was zoals steeds: “Maak de inventaris van vermogen en begroting van een gezin dat u interesseert, en een overzicht van hun bezorgdheden en doelstellingen.”

De financiële bezorgdheden van de jongeren uit de steekproef waren heel klassiek: aanschaf en financiering van de woning; de studies van de kinderen; het onder controle houden van de schulden; voldoende langetermijnsparen voor een goed pensioen.

Bij de 80 gevallen waren ook 14 gezinnen tussen 55 en 60 jaar oud, nog niet gepensioneerd, die zich vragen stelden over hun pensioenvooruitzichten en over de eventuele successieplanning.
Deze kleine groep interesseert ons hier even in het bijzonder. Hoe stonden zij er voor?
Als ik een raming maak van hun bestedingsbehoeften van nu tot in de verre toekomst, - waarbij een actuariële multiplicator van 22 tot 26 werd toegepast om rekening te houden met een te verwachten verhoging van de reële levensduurte en met de inflatie - dan kwam ik tot de conclusie dat acht van de 14 gezinnen geld over en zes geld tekort hadden om hun huidige levenstandaard levenslang te kunnen behouden, zonder hun woning te moeten verkopen. Daarbij gebruikte ik een actuariële afweging. Als ze moesten inbinden op de huidige levensstandaard, hoeveel dan? Slechts één gezin zat er een 40% onder. Tekorten liepen tussen de 8% en 15%, overschotten bedroegen meer dan 30% tot 50%.

Een aselecte steekproef? In mijn ervaring nogal heel normaal. Ik neem aan dat ik in de voorbije 20 jaar, à rato van meer dan 100 gevallen per jaar, mijn deel van gewone en ongewone gevallen heb gezien. Behalve met de gebruikelijke gevallen van landbouwers, zelfstandigen, bedrijfsleiders, kaderleden, ambtenaren en arbeiders maakte ik ook kennis met een aantal uitzonderlijke situaties, zoals een gezinshoofd dat naar olie boorde in de brousse van Afrika of een piloot in Latijns-Amerika.

Eén had alle levenslust en elke ambitie verloren na het overlijden van zijn vrouw, nog een ander welgestelde Belg wilde totaal onafhankelijk leven van de overheid, enz...

Maar in regel en gemiddeld genomen gaven deze gevallen hetzelfde beeld: mensen schatten hun behoeften zeer realistisch in, treffen weloverwogen voorzieningen, overdrijven aan de veilige kant. Maar alle gezinnen beleven ook transitieperiodes waarbij de referentiepunten verzet worden: na een ziekte, een overlijden, huwelijksperikelen, een financiële tegenslag, misbruikt vertrouwen, domme en tegenvallende beslissingen. Er zijn altijd enkele van deze gevallen in een steekproef. Er zijn ook gevallen die helemaal verkeerd lopen. Verlies van verstand en handelingsbekwaamheid, effecten van drug- en drankverslaving.
Ik heb ook gevallen leren kennen van mensen die – onverwacht – hun vermogen lang overleven. Maar de uitzonderingen zijn een kleine minderheid.

Naar aanleiding van zijn 92ste verjaardag werd Milton Friedman geïnterviewd. “Welbeschouwd is er geen rechtvaardiging voor de sociale zekerheid... De argumentatie is dat mensen niet aan hun oude dag denken. ‘Als de overheid er zich niet met moeide, zouden we allemaal zonder een cent oud worden.’ Historisch gezien is er alleen geen bewijs dat dit klopt. Maar we moeten niet utopisch doen. Sociale zekerheid is populair en je komt er niet van af. Wat moeten we eraan doen? Privatiseren.”

Mijn resultaten rijmen veel beter met Friedmans stelling dan met die van Prast. We moeten Friedmans denken ook niet als ‘Amerikaans’ afdoen. De oorsprong van zijn denken ligt bij de Oostenrijkse school, dat wil zeggen: Friedman vertolkt de klassieke Europese visie.

Mensen zijn gewend hun plannen behoorlijk uit te werken. Daar is echt geen toezicht van de overheid bij nodig.

Emiel Van Broekhoven

28 augustus 2005