Nieuws
Het verblijvingsgeding onder last
Nieuwsbrief juni 2006
Begin 2006 heeft de fiscus uitdrukkelijk de toepassing van het verblijvingsbeding onder last erkend. Deze clausule, gecreëerd door professor Casman, werd al vaak gebruikt, maar werd tot op heden nooit expliciet door de fiscus aanvaard.
Deze clausule beoogt een extra bescherming ten voordele van de langstlevende echtgenote, zonder dat die keuze fiscaal bestraft wordt. We bekijken een en ander even praktisch.
Bij overlijden van één van de echtgenoten gehuwd onder het gewone wettelijk huwelijksvermogenstelsel, zal in principe de helft van het gemeenschappelijke vermogen in de nalatenschap vallen. Hierop moeten bijgevolg successierechten betaald worden.
Stel: Jan en Leen zijn gehuwd onder het wettelijk stelsel. Het gemeenschappelijke vermogen bedraagt 500.000 EUR. 250.000 EUR daarvan valt in de nalatenschap. Ze hebben twee kinderen. De successierechten bedragen 13.500 EUR. Overlijdt vervolgens de tweede partner, dan is er 15.285 EUR aan successierechten verschuldigd. In totaal is er bijgevolg 28.785 EUR aan successierechten betaald.
Vele (oudere) huwelijkscontracten bevatten een verblijvingsbeding (‘langst leeft al heeft’). Dit beding zorgt ervoor dat de langstlevende de volle eigendom van de gemeenschappelijke goederen ontvangt. Een betere bescherming dus. De kinderen worden op die manier in feite (tijdelijk) ‘onterfd’. Die keuze voor de bescherming van de huwelijkspartner wordt echter fiscaal bestraft.
Hebben Jan en Leen in hun huwelijkscontract een verblijvingsbeding staan, dan bedragen de successierechten bij het overlijden van één van hen 19.500 EUR. Na overlijden van de tweede partner is er 37.245 EUR verschuldigd. In totaal werd er bijgevolg 56.745 EUR aan successierechten betaald. De reden voor die verhoging, vooral ten gevolge van het tweede overlijden, is dat het volledige vermogen na overlijden van de eerste partner terechtkomt bij de langstlevende. Bij diens overlijden moeten er dan opnieuw successierechten worden betaald.
Wil men een combinatie van beide scenario’s, een optimale bescherming én een lagere fiscale druk, dan kan men kiezen voor een verblijvingsbeding onder last. Dat geeft aan de langstlevende het recht op de volle eigendom van de gemeenschappelijke goederen, evenwel met de last om aan de kinderen de helft van die gemeenschap te geven. De langstlevende mag echter in de meeste gevallen die schuld voldoen wanneer hij/zij dat wil, dit ten laatste bij zijn/haar overlijden. De schuldvordering ten voordele van de kinderen mag bij het tweede overlijden in mindering gebracht worden van het actief van de nalatenschap.
Stel dat Jan en Leen een verblijvingsbeding onder last in hun huwelijkscontract hebben opgenomen. De successierechten bedragen dan zowel bij het eerste als het tweede overlijden evenveel als bij de vererving onder het wettelijk stelsel. De langstlevende ontvangt echter wel het volledige gemeenschappelijke vermogen in volle eigendom van de eerststervende.
Vanzelfsprekend is het hierboven uitgewerkte voorbeeld een vereenvoudigde situatie en wordt er vertrokken van een aantal veronderstellingen. Zo bevat de nalatenschap in het voorbeeld enkel roerende goederen. Is dit niet het geval, dan zal het verblijvingsbeding onder last mogelijk wél een verhoging van successierechten met zich meebrengen, gezien de schuldvordering roerend is en op deze manier geen gebruik gemaakt kan worden van de aparte tarievenschalen voor roerende en onroerende goederen in het Vlaams Gewest.
Bovendien wordt in dit eenvoudig voorbeeld abstractie gemaakt van de intrest die een schuldvordering op termijn in principe oplevert.
Hoe dan ook en dat is meteen de boodschap: in vele gevallen kan een nazicht van uw huwelijkscontract een goedkope manier van optimalisatie van uw successieplanning betekenen.
01 juni 2006

