Haverstraat 1, B-2000 Antwerpen
T. +32 (0)3 205 10 20
F. +32 (0)3 205 10 22

Nieuws

Diversificatie

Auteur: Jo Stremersch
Bron: De Standaard, 2 november 2009

Jef is golffanaat. Hij is niet alleen enorm verslingerd aan het spelletje, hij zou er zelfs alles voor opofferen. Als we zijn vermogenssituatie in kaart brengen, blijkt dat hij eigenaar is van een golfterrein met een waarde van 1,5 miljoen euro en dat hij een liquide portefeuille bezit van pakweg 100.000 euro. Jef heeft maar één zoon en zijn echtgenote is drie jaar geleden overleden. De vermogensindeling van Jef is enigszins problematisch. Niet alleen is er een enorme disproportie tussen zijn onroerend en roerend vermogen, ook in geval van een plots overlijden is zijn zoon niet in staat om de 363.000 euro aan successierechten te betalen. Door de ongelukkige verhouding tussen onroerend (93,75 procent) en roerend bezit (6,25 procent) is Jef ook nog gedoemd om zijn roerende portefeuille zo liquide mogelijk te beleggen, waardoor hij geen optimale portefeuillespreiding kan nastreven.

Dat soort van wanverhoudingen komen we in de praktijk wel vaker tegen. Daarom is het naast de opmaak van een vermogensbalans, waarbij elke component van het vermogen tegen marktprijs in kaart wordt gebracht, bijzonder zinvol om elk element in de balans kritisch onder de loep te nemen.

Wat is het onmiddellijke rendement van het actief en wat is de te verwachten meerwaarde? Onder welke juridische vorm wordt het actiefbestanddeel aangehouden? Kan je zelf vrij beslissen om het geheel of gedeeltelijk te realiseren om het in een andere component te gaan herbeleggen? Heb je impact op de rentabiliteit van dat vermogensbestanddeel, doordat je de kosten kunt drukken, omdat je inkomsten kan verhogen? Welke rol speelt de fiscaliteit bij de bepaling van het rendement en wat kan je doen om die fiscale kosten zoveel mogelijk te milderen?

Vaak wringt daar het schoentje. Veelal overschouwen mensen het geheel van hun vermogen niet ten volle. Ze zijn vaak gefocust op één belangrijke deelcomponent van het vermogen (de zaak, een onroerend goed...). De cruciale vraag voor elke vermogenscomponent is in welke mate hij bijdraagt tot het geheel van het vermogen en in welke mate hij harmonieus aansluit bij de andere vermogenscomponenten. Als je bijvoorbeeld het zakelijk vermogen beschouwt, dan moet de vraag niet alleen zijn welke return er wordt bereikt op de geïnvesteerde middelen, maar ook hoe stabiel die return is, hoe zich dat verhoudt ten opzichte van de economie in zijn geheel en de sector in het bijzonder. Wat is de fiscale rekening om het inkomen uit arbeid of uit kapitaal tot bij de natuurlijke persoon-bedrijfsleider te krijgen en volgens welke weg? Maar ook: waardoor maak je juist winst, hoe groot is de behoefte aan bedrijfskapitaal en beschik je als aandeelhouder of bedrijfsleider zelf over voldoende liquide middelen om deze te voorzien als de onderneming het moeilijk krijgt of het nodig heeft om verder te kunnen groeien? Het maakt je heel wat onafhankelijker ten opzichte van kredietverschaffers, vooral wanneer die moeilijk doen.

Diversificatie is een begrip dat veel crucialer is dan de wijze waarop het over het algemeen wordt ingeschat. Het is zeker ruimer dan de klassieke invulling die de bankier er over het algemeen aan geeft. Veelal beperkt die diversificatie tot een element van portefeuillespreiding. Niet in de minste mate vanuit een verkoopstechnisch oogmerk. Daarom zal hij bij de samenstelling van de portefeuille asymmetrische beleggingsobjecten (alternatieve beleggingen, absolute returnfondsen) aanraden om diversificatie aan te brengen. Veelal is dat overbodig, als je het gehele vermogen in ogenschouw neemt. Diversificatie heeft ook strategische, fiscale, juridische en succesorale dimensies.

02 november 2009