Haverstraat 1, B-2000 Antwerpen
T. +32 (0)3 205 10 20
F. +32 (0)3 205 10 22

Nieuws

De levensverzekering, besteel je echtgenote en onterf je kinderen!?

Nieuwsbrief mei 2008

Op basis van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst, kan een echtgenoot van de ene dag op de andere gelden uit de huwelijksgemeenschap overhevelen naar het eigen vermogen vermogen, vaak zonder medeweten van de andere partner en soms ook zonder dit zelf te beseffen.

Dit geeft aanleiding tot heel wat discussies bij echtscheiding, wanneer de huwelijksgemeenschap even voordien heel wat lichter gemaakt werd door het afsluiten van een verzekeringscontract ten voordele van één van de partners. Denk hierbij ook aan de vraag of het kapitaal uit de groepsverzekering een eigen goed is, dan wel een deel van het gemeenschappelijk vermogen.

De regeling wordt daarnaast nogal eens aangewend om nog snel vóór een overlijden gelden van de gemeenschap zogenaamd eigen te maken aan de langstlevende partner, om zo te (proberen) ontsnappen aan successierechten, ten onrechte. Reeds op 26 mei 1999 oordeelde het Grondwettelijk Hof, toen nog het Arbitragehof genoemd, immers dat bepalingen van de Wet op de  Landverzekeringsovereenkomst strijdig zijn met de Grondwet voor wat betreft gemengde levensverzekeringen. De fiscus heeft, terecht, een circulaire uitgevaardigd waarbij gemengde levensverzekeringen op naam van de langstlevende, waarbij de premies betaald worden met gemeenschappelijke gelden, toch gedeeltelijk aan successie onderworpen worden, verwijzend naar dit Arrest van het Arbitragehof.

Bovendien bevat de Wet ook nog een bepaling met betrekking tot erfrechtelijke aanspraken op uitkeringen uit een levensverzekering. Premies gestort voor een levensverzekering zijn niet aan inbreng of inkorting onderworpen, behalve voor zover die premies ‘kennelijk buiten verhouding staan tot zijn vermogens-toestand.´ Niet aan inbreng en inkorting onderworpen betekent zoveel dat ze niet worden meegerekend bij de verdeling van de nalatenschap, en ook niet meegerekend worden om na te gaan of iemand aan wie de wet een minimaal deel voorbehoudt, ook daadwerkelijk zijn minimaal deel ontvangen heeft. Handig als je iemand wil onterven ...?

Een voorbeeld

Na overlijden van Edouard, stellen zijn drie kinderen Roger, Conny en Walter vast dat er zich 210.000 EUR in de nalatenschap bevindt. Daarnaast ontdekken Roger en Conny dat Edouard 390.000 EUR investeerde in een Tak23 contract met Walter als begunstigde bij overlijden. Walter beweert dat die som niet meegerekend moet worden bij de verdeling van de nalatenschap en dat Roger en Conny ook geen inkorting kunnen vorderen wegens schending van hun reservatair gedeelte (in principe hebben Roger en Conny elk minstens recht op een derde van de som van nalatenschap, vermeerderd met alle schenkingen die Edouard tijdens zijn leven verrichtte).
Walter wenst dus nog eens 70.000 EUR uit de verdeling van de nalatenschap te ontvangen.

Wat kunnen Roger en Conny hiertegen doen?

Ten eerste zouden ze kunnen aanvoeren dat een tak23 eigenlijk een beleggingsproduct is en dus de Wet op de Landverzekering niet van toepassing kan zijn, zoals eens een keer eerder geoordeeld werd door het Hof van Beroep te Brussel, maar later in de rechtsleer bekritiseerd werd.

Ten tweede zouden Roger en Conny kunnen aantonen dat de premies kennelijk buiten verhouding stonden tot de vermogenstoestand van Edouard, maar dit lijkt niet zo evident.

Tenslotte zouden ze de uitspraak kunnen afwachten van een gelijkaardig geval dat momenteel hangende is voor het Grondwettelijk Hof. Hier rijst de vraag of er geen discriminatie ontstaat doordat de reserve niet kan worden ingeroepen wanneer de erflater een spaarverrichting onder de vorm van een gemengde levensverzekering aanhoudt, eerder dan onder de vorm van effecten of andere spaartegoeden maar dat het inroepen van de reserve bij die andere spaarvormen daarentegen wél zou kunnen. De levensverzekering is eigenlijk gewoon een technisch anders geformuleerde spaarvorm.

Naar verwachting zal het Hof naar analogie met de eerdere uitspraak over de eigendom van de verzekeringen tussen gehuwden, oordelen dat hier inderdaad sprake is van een ongeoorloofde discriminatie.

De Wet op de Landverzekerings-overeenkomst van 1992 bevat dus nog steeds een aantal lang achterhaalde bepalingen. Hopelijk zet de uitspraak de wetgever ertoe aan om na ongeveer tien jaar eindelijk orde op zaken te stellen, en de teksten die in veel vroegere tijden hun nut kenden, maar intussen niet meer stroken met huwelijksvermogens- en erfrecht, aan te passen.

Intussen blijft het nog steeds opletten geblazen bij het afsluiten van  verzekeringscontracten voor de gevolgen op het vlak van huwelijksrecht en erfrecht. Een clausule in het huwelijkscontract die stelt dat de groepsverzekering gemeenschappelijk is, kan bijvoorbeeld bijzonder nuttig zijn.

Tom Vermeiren

01 mei 2008