Nieuws
Beurs 2006 : betere aankoopprijzen in het verschiet
Nieuwsbrief juni 2006
De best bekende Belgische typeportefeuille, die van de Wet op het Pensioensparen uit 1986, die bij de meeste banken belegd is tegen 60% aandelen en 40% obligaties, leverde eind 2005 een normale gemiddelde return over 20 jaar van 8,6% nominaal. Na verrekening van jaarlijks 3% inflatie over die voorbije 20 jaar is dat reëel 5,6%. Een belegging op een spaarboekje en in een tak-21-verzekering tegen 1% tot 2% reëel staat in vergelijking daarmee stil.
Eind 2005 zag ook de ontwikkeling op de aandelenmarkten er nogal normaal uit: de grote waarden bleven een stuk achter, en de kleinere waren zichzelf aan het voorbijlopen. Gemiddeld genomen ok, dus. Vanaf het begin van 2006 beleefden we dan een flinke hausse, die in de maand mei op twee weken alles teruggaf. Dat wil zeggen, de markten zitten nog steeds dicht bij het normale gemiddelde groeipad over lange perioden. Met die hoge groei hangen fikse schommelingen samen. Die hebben we er in het verleden steeds moeten bijnemen.
De vastgoedmarkt en de grondstoffenmarkten beleefden in de voorbije vijf jaar wereldwijd een meer dan gewone expansie. Dit leidde het researchbureau Gavekal reeds een tijd geleden tot de prangende vraag: “How long can booms in all asset classes last?”. En zo kunnen we ons nu de nieuwe vraag stellen: “Waren de strubbelingen van mei 2006 het begin van het einde van deze booms?”.
Een boom vereist een accommoderende en stimulerende monetaire politiek. En in een tijdvak waarin de VS stelselmatig de rente verhogen en de ECB naar een restrictiever beleid neigt, ligt het initiatief bij de Japanse centrale bank. Die heeft in de voorbije tien jaar een zeer expansief monetair beleid gevoerd, met een intrestvoet gelijk aan nul.
Aan potentiële bronnen van verstoringen van het internationaal monetair evenwicht is er zoals gewoonlijk geen gebrek. De voornaamste bron lijkt wel de oliecrisis, waarvan de consequenties om zich heen beginnen te grijpen. De olieexporterende landen zitten opnieuw aan te kijken tegen gigantische dollarsurplussen. Bij sommige olie-importerende landen is het handelsoverschot verdwenen (het geval van België). Bij andere is het handelsdeficit veel groter geworden, zij moeten nu dollars lenen om hun deficit te financieren. De grote internationale banken recycleren deze dollars van de surplus- naar de deficitlanden, die zowel hun dollarbalansen als hun olievoorraden willen veilig stellen.
Het grootste deel van de wereldhandel blijft verlopen in dollar. De toenemende honger naar dollars – als gevolg van de toenemende wereldhandel, maar ook van de stijgende olieprijzen – wordt gestild worden door tekorten op de Amerikaanse handelsbalans. Maar de roep naar een kleiner Amerikaans handelstekort leidt ertoe dat de VS nu dollars leveren tegen hogere intrestkosten. Het zal niet lang duren voor de last daarvan voor vele zwakkere economieën prohibitief wordt.
Terwijl dit pijnlijk aanpassingsproces zich voltrekt, is er niet veel nodig om de gemoederen van de speculanten van de hefboomfondsen op te hitsen. Amerika en Israël moeten Iran nog niet bombarderen, maar de gedachte alleen al dat de Iraanse Mullahs in reactie daarop de Straat van Hormuz zouden afsluiten, is onrustbarend genoeg. Tenzij het Amerikaans besluit om Teheran samen met de Europese groten te benaderen een tijdlang pacificatie kan brengen. Misschien worden zo veel lagere beurskoersen en zeer hoge olieprijzen voorkomen, net zoals een wereldrecessie.
Stijgende intrestvoeten in de VS en Europa leiden ondertussen tot het afbouwen van speculatieve posities. Vooral nu er indicaties zijn dat de Bank of Japan haar zero intrestbeleid begint op te doeken.
Het slechte nieuws is dat Mr. Market in de tweede jaarhelft van 2006 wel eens de lagere regionen van het koersbereik zou kunnen gaan opzoeken. Dat voelt altijd minder prettig aan. Het goede nieuws is dan dat er eindelijk terug lagere en dus betere aankoopprijzen in het verschiet liggen. Het hangt er maar vanaf hoe u het wil bezien.
Emiel Van Broekhoven
01 juni 2006

