Nieuws
BEL20 en de pensioenspaarfondsen
Nieuwsbrief februari 2006
De BEL20-index bereikte recentelijk het niveau van de voorgaande piek in 1999. De media vonden dat grote koppen waard. Maar men kan zich afvragen waar die BEL20 eigenlijk nog voor staat en welke boodschap er voor de belegger vanuit gaat. Vooreerst bevat die BEL20 momenteel nog slechts… 19 aandelen, omdat er in Brussel geen twintigste groot genoeg was om in de referentie-index te worden opgenomen.
Vervolgens is de vraag wat er overblijft van de representativiteit van de index voor het Belgische bedrijfsleven en voor de Belgische belegger. De Dow Jones telt 30 aandelen, de S&P500 omvat er 500. Beide indices lopen doorgaans niet te ver van elkaar weg. De eerste vertegenwoordigt de grootste bedrijven van de VS (en van de wereld), de tweede de bedrijven die zowat de helft van het Amerikaanse BNP produceren. Het zijn dus indices die representatief kunnen worden genoemd. Koop je een van beide korven, dan koop je omzeggens ‘corporate America’. Maar wat koop je met de BEL20? De bewegingen van de Brusselse beursgraadmeter weerspiegelen vooral die van drie grote Belgische banken. Interessant op zich, maar geen basis om een oordeel te vellen over de waardering van ‘de’ Belgische bedrijven. Laat staan om er de evaluatie van een portefeuille aan op te hangen.
De doorsnee Belg gedraagt zich alleszins nog niet alsof zijn vertrouwen in de beurs terug is. Spijts de sterke remonte van de Belgische beurs sinds 2003, vooral dan van de ‘small caps’, blijkt het vertrouwen van de massa nog altijd grotendeels zoek. De verzekeraars rapporteren trouwens een vernieuwde belangstelling in Tak-21-levensverzekeringsproducten (met een gegarandeerd, maar laag rendement). Het gros van de spaarders gelooft op dit ogenblik duidelijk niet meer/nog niet opnieuw dat aandelen de financiële toekomst kunnen veiligstellen.
De gewoonte van de media om pieken en dalen uit te vergroten, leidt ertoe dat de gemiddelde prestatie van een regelmatige spaarder doorheen de beurscycli onvoldoende wordt belicht. Toch staan bijna alle Belgen voor een omvangrijke taak. –Niet die om één keer een miljoenenerfenis te beleggen. Wel die om in een periode van een veertigtal jaar met jaarlijkse, kleinere bijdragen toch een voldoende groot vermogen te vergaren teneinde zichzelf tegen de leeftijd van 55 à 65 ‘financieel onafhankelijk’ te kunnen noemen. Om dan nadien, niet te vergeten, met die portefeuille nog tussen 20 en 35 jaar comfortabel te leven, terwijl er toch stelselmatig geld uit de portefeuille zal (moeten) worden opgenomen. Als men een en ander vanuit die invalshoek bekijkt, begrijpt men dat niet de voorbijgaande pieken en dalen – hoe boeiend ook – van het grootste belang zijn, maar wel de gemiddelde prestatie van de portefeuille over een (zeer) lange periode.
De beleggers hebben mijn inziens dus veel minder een boodschap aan de evolutie van de BEL20, dan aan die van de Belgische pensioenspaarfondsen. Die bestaan nu 20 jaar en zijn een typevoorbeeld van wat regelmatig (jaarlijks) beleggen met kleinere bedragen tot stand kan brengen.
Wat valt er uit die ervaring – die al meer dan een miljoen Belgen delen – te leren? Gestart in 1986/87 wisten de Belgisch pensioenspaarfondsen (typisch 60% in aandelen en 40% in obligaties belegd) tot eind 2005 een gemiddelde jaarreturn van 8% à 9% te halen. Dat is een opbrengst die dicht bij die van de brede Belgische return-index ligt. Nog afgezien van het fiscale voordeel dat men er bovenop krijgt waardoor de totale opbrengst voor de belegger op zowat 13% neerkomt. Per 100 EUR die men stort, krijgt men immers 33 à 40 EUR van de fiscus terug.
Uiteraard hebben de pensioenspaarders gedeeld in de klappen van de kapitaalmarkt. In 1 op de 3 jaren kenden ze een negatieve en in de overige jaren een positieve return. Nauwelijks had men begin 1987 voor de eerste keer gestort of er was de beurscrash van oktober van dat jaar. En er was de afgang met 35% tussen 1999 en 2003. Het was pas tegen november van 2005 dat het hoogtepunt van 1999 overschreden werd. En toch kan dus worden teruggeblikt op een mooie prestatie.
Vergelijken we ook even de gemiddelde prestatie met die vanop de extreme punten. Wie was uitgestapt op het hoogtepunt in 1999, had een return gerealiseerd - zonder rekening te houden met het fiscale voordeel - van 15% per jaar. Dat klinkt natuurlijk heel mooi, maar de vraag is waar je na de ‘exit’ met je geld naartoe was getrokken.
Belangrijker echter is de vraag wat de return was op een dieptepunt. Was je eruit gestapt op het dieptepunt van de toch heel zware inzinking van 1999-2003 dan was de return op al je stortingen ongeveer 7,5% geworden: de helft van het maximum, maar helemaal niet zo veel onder het gemiddelde van 8,6%. En een heel stuk boven die Tak-21 levensverzekering…
Doordat men vele jaren na elkaar relatief kleine sommen belegt, koopt men in sommige jaren goedkoop, in andere jaren duur. Maar alles samen bekomt men een zeer degelijke return, die naar onderen toe beschermd is. Als men zo spaart, heeft men geen ‘hedge fund’ nodig. Vergeleken met de gemiddelde prestatie heb je veel meer voordeel van een piek, dan nadeel van een daling…
Men moet zich de toekomst niet anders voorstellen dan het verleden. De markt zal een onvoorspelbare weg vinden tussen hoogten en laagten. Op grond van allerlei overwegingen, die ons hier te ver zouden leiden, kom ik tot een rationele opbrengstverwachting van 6,6% voor de volgende 10 jaar voor een breed, voor 60% in aandelen en voor 40% in obligaties, belegd fonds. Dit dus zonder het effect van een fiscaal voordeel erin te verrekenen. Ik kom wat lager uit dan de historische 8,6% omdat de inflatieverwachting (2%) nu lager ligt en de lange periode van intrestdaling sinds 1982 voorbij is.
Over lange perioden van regelmatig sparen blijft beleggen in aandelen een zeer aantrekkelijk voorstel. Dat is mijn inziens een inzicht dat veel grotere koppen waard is dan de nieuwe piek van de BEL20!
Emiel Van Broekhoven
20 januari 2006

